Follow by Email

zaterdag 28 juni 2014

Maandbrief - vijf maanden.

Mijn liefste patatje,

Hier zag het er allemaal nog rooskleurig uit, hier best ook nog wel en hier wilde ik vooral hoopvol zijn. De afgelopen maand was wanhopig echter het woord dat het vaakst in mij opgekomen zou zijn als iemand gevraagd zou hebben hoe ik me voelde. Bij uw vader ongetwijfeld ook. Het waren weken van veel gebrul en vooral ontroostbare toestanden. Er was het moeten weghollen van feestjes, omdat gij het niet naar uw zin hadt en dus vanaf de eerste tot de laatste minuut huilde. Heel hard. De grootouders die sporadisch al eens een paar uurtjes oppasten, waren onder de indruk van uw volume en van het feit dat ge niet slaapt.

Het is weer moeilijk geweest, vriendeke. Uw parentale entiteiten zijn een beetje aan het eind van hun Latijn en dan zijn ze nog de helft van de maand allebei thuis geweest. Vanaf volgende week moet mama ook weer aan het werk, dus dat belooft! Waarom ze zo uitgeput zijn? Het is een combinatie van verschillende factoren natuurlijk. Ge slaapt nog steeds niet door, om te beginnen. Integendeel, ge doet het zelfs slechter dan een tijdje geleden! Toen liet ge soms al eens een uur of acht tussen twee voedingen. Het resultaat was nog steeds dat we uit ons bed moesten ’s nachts, maar er was tenminste nog hoop dat die uren dan wat zouden opschuiven en dat we dan tot een acceptabel ochtenduur zouden komen. Tegenwoordig laat ge zelfs nauwelijks meer dan vier uur tussen en dat is ... behoorlijk slopend. Daarnaast begint uw dag tegenwoordig vaak tussen vier en vijf in de ochtend. Het behoeft geen uitleg dat dat niet meteen tof is. Er zijn op dat uur zelfs nog geen televisieprogramma’s, man! Alleen maar herhalingslussen. En dan is er nog het bijzonder uitputtende brullen. Ge zijt moe en geeft heel veel signalen af (in uw oogskes wrijven, geeuwen, met uw handje over uw eigen hoofdje strelen (als ge héél moe zijt ook wel erop kloppen)), maar ge weigert toe te geven. We hebben werkelijk al alles geprobeerd; u dan in uw mand leggen, u op een kussentje in de zetel leggen onder een tetradoek, u in uw doomooseat neerplanten met een dekentje, maar slechts heel zelden lukt het om u vredig te laten in slaap vallen. Op die momenten helpt ook helemaal niets en dat is nog het meest frustrerende. Op zo’n momenten wordt het hier erg moeilijk, lieve schat. Onze reserves zijn een beetje op. Uw vader wordt daardoor heel snel geïrriteerd en ikzelf blijf de kalmte zelve, maar sluit me volledig af. Behalve u vasthouden doe ik helemaal niets meer. We moeten hier iets op vinden, Kasperito, want dit is voor geen van ons allen leuk, toch? In de crèche bakeren ze u blijkbaar in en dat zou werken. Hoewel ik wat mijn twijfels heb bij dat inbakeren, net omdat ge overal leest dat ge normaal op deze leeftijd al aan het afbouwen moet zijn, hebben we het hier toch ook een paar keer geprobeerd. Resultaat: noppes. En als kers op de taart blijft ge zo geweldig moeilijk op uw eentje spelen, waardoor we ons hier bijna continu in allerlei bochten moeten wringen om u bezig te houden. Not funny. Echt niet.

Ook ergens naartoe gaan met u is verre van een pretje. De eerste en ergste keer was een communiefeest, waar ge werkelijk van de eerste tot de laatste minuut hebt gebruld. De mensen buiten op het terras hadden het er allemaal over “amai, die is wel stevig over zijn toeren” en ik kon alleen maar denken “ik wéét het, maar wat moet ik eraan doen?!”. Uiteindelijk zijn we toen maar naar huis gegaan, na een uur of vijf. Helaas betekende thuis toen ook geen oplossing, waardoor we diezelfde avond nog naar het ziekenhuis hebben gebeld om te vragen of dit nog normaal was of dat we toch geacht werden iets te doen. Het antwoord was: “Kom ermee naar spoed, dan kan de kinderarts checken of er toch niet iets aan de hand is”, maar toen we de straat nog maar uitreden, waart gij al in slaap gedonderd. Eindelijk. Ook daarna bleken feestjes niet meteen uw favoriet; op familie-etentjes wisselen uw ouders, uw oma, uw tante en uw nonkel elkaar meestal af om te proberen u te temmen. Uw neefke ligt daar ondertussen vredig te spelen en als ze die in zijn bed stoppen, slaapt hij meteen prinsheerlijk. Er bestaat geen groter contrast dan tussen jullie. Vanavond gaan we naar een BBQ. Zoudt ge alstublieft willen proberen dit keer gewoon uw aangename kant boven te halen?

Want garnaaltje, die hebt ge echt, hoor! Ge kunt lachen als de besten en daarmee alle vrouwen (en stiekem ook mannen) om uw vinger winden. Ge hebt een heerlijk expressief gezicht en prachtige, grote, blauwe kijkers die nieuwsgierig alles willen zien wat er gebeurt. Ge kunt vertellen als de besten, als ge op uw gemak zijt. En er zit pit in u, dat is wel het minste dat ge kunt zeggen. Dus als ge niét weent, dan is de wereld weg van u. Eerlijk waar.

De afgelopen maand was er trouwens eentje van veel eerste keren:

·        naar de crèche! Op dag één bracht ik u met een gerust gevoel. Geen enkele seconde had ik het gevoel te moeten huilen. Gij weende ook niet, trouwens. Ik gaf u aan de verantwoordelijke en ge begont daar meteen naar te lachen. ’s Avonds was het echter minder tof. Ik stapte nog maar binnen en ze zei al: “Uw zoon heeft het echt niet goed gedaan, hoor!” Ge hadt niet willen eten, niet willen slapen en ge hadt heel veel gebruld. Op de terugweg naar huis heb ik geweend, jongen. Ik had uiteraard verwacht dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn zou zijn, maar dit was wel even een heel koude douche. De volgende twee dagen waren ook nog alles behalve goed. Gelukkig kregen we vanaf de week nadien altijd te horen dat het beter was gegaan. Vorige week zeiden ze zelfs dat ge schitterend waart en dat ge het heel goed doet! Bedankt, vriendeke, echt. Nu kan ik met een gerust hart naar mijn werk gaan zonder bang te moeten zijn dat ge er niet graag zijt.

·        ziek, helaas. Uiteraard kwam het op een verschrikkelijk ongelegen moment (ik moest vijf dagen op rij het hele land door om met mijn koor te gaan zingen in allerlei grote zalen en uw vader was dus alleen thuis met u) en er kwam een helse tocht in een auto zonder gps door de file met een zeer beperkt tijdsbestek aan te pas, maar het verdict was dat ge waarschijnlijk een oorontsteking hadt en dus antibiotica moest nemen. Gelukkig hebben we er behalve een dag of drie een wreed koortsig kind niet te veel van gemerkt.

·        rollen! Plots zagen we u op uw speelmat naar uw zij rollen en verwoed proberen naar uw buik door te draaien. Daarna laagt ge op uw buik en smeet ge heel uw lijf in de strijd om terug op uw rug te landen. En intussen zijn we zo ver dat ge u echt voortbeweegt door op uw zij te rollen. Ge ziet een speelgoedje en ge wroet zo hard, tot ge het uiteindelijk in uw handjes hebt. Het is ook al eens een sporadische keer gelukt om van uw rug naar uw buik te rollen, maar voorlopig was dat eerder per ongeluk. Geen probleem, blijven oefenen! J

·        lachen als een echt jongetje (filmpje volgt als uw vader het heeft geupload, afgesproken!).

·        dingen met twee handen vastpakken en ze van uw ene in uw andere hand brengen.

·        uw tut zelf terugsteken, nadat ge hem eerst met twee vingertjes hebt vastgehouden en met gestrekte arm heel uitgebreid hebt bekeken.

·        op de valreep nog groentepap beginnen eten. Het is te zeggen; uw moeder toestaan hier en daar eens een halve gram courgette naar binnen te duwen, want van echt eten kunnen we momenteel nog niet spreken. ;-)

·        bij opa blijven. Het was geen onverdeeld succes, maar ge moogt toch nog eens terugkomen. Doet ge alstublieft ook uw best om het daar gewoon te geraken en er uw draai te vinden? De mens ziet u graag en doet zijn uiterste best voor u, dan moogt ge wel iets terugdoen, hé!

·        een pak pampers opgeheven terwijl wij verwoed probeerden uw pamper ververst te krijgen. Een gemak zo’n rollend kind, amai!

·        gekalmeerd worden door te gaan autorijden of wandelen. We gaan daar geen gewoonte van maken, hoor vriendschap.

Scharminkeltje, ge wordt nog altijd graag gezien, hoor. Alleen zouden onze zenuwen en ook wel gewoon onze lijven wel enige rust kunnen gebruiken. Op die manier kunnen we u nog liever zien, nog enthousiaster met u spelen, nog meer onze best doen om u te troosten als het nodig is. Kunt ge het op zijn minst proberen, om gewoon wat meer tot rust te komen, op uw eentje te leren spelen voor eventjes en vooral op eigen houtje in slaap te geraken?

Voor de rest ga ik in de komende maand ongetwijfeld vooral bezig zijn met een evenwicht zoeken. Eentje tussen u, het huishouden en het werk. En hier en daar nog eens een gestolen momentje voor mezelf. Ik ben vijf maand lang voornamelijk bij u geweest en het was de moeite. Het was uitputtend, het zoog me leeg, maar ik kon ook ten volle van u genieten. Juichen als ge iets deed, keihard oefenen als ik wilde dat ge iets zoudt leren en voor de rest uitvogelen wat ge al dan niet graag hebt. Op de avonden dat ik compleet uitgeput thuiskom, gij helemaal groggy van de crèche gehaald wordt en we eigenlijk allebei een vermoeidheidstraantje zouden willen wegpinken, zal ik waarschijnlijk nog vaak aan deze maanden denken. Dit komt nooit meer terug, lieve schat! Maar we zetten onze tocht samen natuurlijk gewoon verder.

Veel succes met alles wat ge onderneemt,

dikke zoen,
mama

 

woensdag 4 juni 2014

Fantastisch.

“Lief,” zei ik, “ik heb een supermooi liedje gehoord op mijn iPhone. Ik heb het zeker tien keer op repeat gezet, maar toen moest ik mijn muzieklijst afsluiten en nu weet ik niet meer hoe het heet of wie het zong.” (Ter info: hij vult mijn afspeellijsten met allerlei muziek die ik goed vind, maar ook met dingen waarvan hij vindt dat ik ze moet leren kennen.) De echtgenoot sprak: Oei, dat is wel vervelend. En wat wilt ge dan dat ik doe? “Ja, het was een rustig liedje en een stukje tekst ging erover dat een oud meneertje was doodgegaan en dat zijn vrouw dan een paar dagen later ook doodging, gewoon van verdriet. En dat het misschien wel een rare manier was om het te zeggen, maar dat de zanger zo aan zijn lief wilde laten weten dat hij ze graag zag.” Er ging geen belletje rinkelen. Was het een groep of een zanger? “Een zanger!” Een jonge of een oude? “Een jonge, denk ik toch.” Hij noemde nog een paar zangers op, maar die waren het allemaal niet. “Maar nee!”, verzuchtte ik. “Het is iemand die ik niet kén, hé, en al die ge nu opnoemt die ken ik toch?” Hij dacht het eens slim te gaan spelen en begon te zoeken naar de laatst afgespeelde nummers, maar ongeduldig herinnerde ik hem eraan dat de nummers die daar stonden, dateerden van nádat ik de lijst volledig had moeten afsluiten.

En dan zei hij plots: Ik weet het! Wacht! En hij zat er boenk op. Hij scrollde en hij vond dit voor me terug:


 

woensdag 28 mei 2014

Maandbrief – vier maanden.

Lieve, lieve Kasper,

Mijn God, wat vliegt de tijd. Als ik geen ouderschapsverlof had genomen, dan zou ik op 11 mei al terug aan het werk moeten gegaan zijn. Pfoe! Laten we eerlijk zijn, kleine patat, maar soms heb ik gewenst dat het zo zou geweest zijn. Het was geen gemakkelijke maand. Voordien hadt ge al steeds meer krampen gekregen en dat is blijven doorgaan. Mama en papa hebben zich lang afgevraagd of we iets moesten doen, maar hoe weet ge of zoiets normaal is of niet? ‘Ze zeggen’ dat krampen vanaf 12 weken voorbij zijn, maar is het dan meteen abnormaal als dat niet het geval is? Wat mij echter nog meer zorgen baarde, is dat ge niet meer uw vrolijke zelve waart. Ge stopte met vertelsels en lachen was er ook alleen nog ’s morgens bij het wakker worden bij. Verder werd er vooral pijnlijk veel gebruld. Ontroostbaar waart ge dan, garnaaltje. U oppakken, rondwandelen, liedjes zingen, proberen af te leiden met speelgoedjes, het hielp allemaal geen steek. Uw ouders hebben elkaar méér dan eens vragend aangekeken; wat kunnen we hier nog doen?! Op den duur konden we twee soorten gebrul onderscheiden; die vorte krampen en ook vermoeidheid. Ge waart duidelijk moe, maar ge weigerde uzelf over te geven. Dat resulteerde dan iédere keer weer in compleet over uw toeren raken en dus ontroostbaar brullen. We konden dat met niets stoppen, behalve met een fles. Vaak was het duidelijk niét van de honger dat ge zo weende – dat konden we zien omdat ge echt maar héél weinig dronk – maar toch was het genoeg om dan in slaap te donderen. Oef. ’s Nachts speelden dit soort taferelen zich gelukkig niet af, maar ge bleeft toch nog meerdere voedingen vragen. Daardoor was vooral ik compleet uitgeput en dat maakte het allemaal niet gemakkelijk. Ik kan behoorlijk goed om met uw geschreeuw, hoor, dat wel. Ik houd u vast, stap wat rond, zorg dat ge uzelf of mij niet te veel pijn kunt doen en verder wacht ik tot het eindelijk tijd is om u eten te geven. Soms pits ik er wel eens een kwartiertje of maximum een half uurtje af, omdat ik ook niet geloof dat het gezond is dat gij uzelf knalrood en bloedheet huilt. Uw vader heeft het er lastiger mee en gaf u dus soms twee keer eten in de tijd dat ik alleen maar naar de postnatale kiné was ... .

Wij vroegen ons dus af of we iets moesten ondernemen. Zijn het de gewone krampen die elke baby wel heeft? Is er iets anders aan de hand? Misschien is het wel gewoon een groeispurt en gaat het dus wel gauw weer over? Het lijkt me duidelijk dat geen enkel ‘sprongetje’ vier of vijf weken duurt, dus besloten we op één van de ergste momenten toch nog eens contact op te nemen met de osteopate. Wie weet zou zij ons kunnen helpen? Ze bewerkte uw buikske en zei dat het inderdaad wel heel gespannen stond, maar voor de rest had ze weinig zinnigs bij te brengen. Ze kwam met honderd mogelijke oorzaken aandraven, waardoor ik alleen het gevoel kreeg dat het een beetje raden was. De dagen nadien werd het alleen maar erger. Mensen zeiden dat dat normaal is, de dagen na een consult, maar dan gaat het toch niet over een week, hé. Ik belde dus uiteindelijk toch maar de kinderarts.

Weet ge, Kaspje, ik ben altijd heel sceptisch als er over koemelkallergie gepraat wordt. Volgens heel veel bronnen kunt ge daar alleen met zekerheid over spreken als uw kindje veel krampen heeft (oké, check), uitslag (niet), een loopneus (niet) en nog een hoop andere klachten. Dat was bij u echt niet het geval. De kinderarts zei echter dat het waarschijnlijk toch iets spijsverteringsgerelateerd zou zijn en het feit dat ge – ondanks flesvoeding – nog altijd zo vaak zo kleine hoeveelheden eet, sterkte haar in die overtuiging. We moesten een andere melk proberen, NovaRice, die op rijst is gebaseerd en dus niets van koemelkeiwit of lactose bevat. Ik was ook daar erg sceptisch over, maar als ge naar een dokter gaat om hulp, kunt ge moeilijk alles wat ze zegt naast u neerleggen, hé. We startten dus met die melk en ik moet toegeven ... het is een groot verschil.

We zijn amper een paar dagen bezig en plots lacht gij weer. Ge vertelt erop los. En – dat hebben we nog nooit mogen meemaken in uw hele leventje – ge slaapt zoals een normale baby overdag! Uw moeder moet er superhard aan wennen, want nu is u meenemen naar de badkamer om te kunnen douchen meteen een hele periode ‘wakker’ verspelen. U in de keuken leggen terwijl ik uw flessen steriliseer ook. Er blijft plots veel minder tijd over om te spelen. Toch denk ik dat dit alles wilt zeggen dat ge u beter voelt. In een echte allergie geloof ik nog altijd niet, maar misschien verteert ge deze melk toch echt beter.

En alsof het een wonder was, zijt ge ook iets grotere hoeveelheden beginnen drinken – nog altijd lang niet wat op de doos staat, maar een mens mag niet te veel in één keer verwachten – en ge zijt naar vijf voedingen op een dag gegaan. Dat betekent ook dat ge nu ’s nachts nog maar één voeding nodig hebt, wat toch al een heerlijk verschil is met de afgelopen weken. Ik ben er nog niet minder moe door geworden, maar het is alvast een begin. [Edit: zeg makker, ik had dit gisteren al getypt en om te bewijzen dat we te optimistisch zijn, hebt ge er een helse nacht van gemaakt. Zoooo niet, hé!]

Het gebrul is nog niet volledig verdwenen, dat moet ik toegeven. Nu doet ge het alleen nog als ge weigert te slapen, terwijl ge toch echt heel moe zijt. Het is ook minder, maar we zijn er nog niet. Ge moogt wakker zijn zoveel ge wilt, lieve schat, maar als ge moe zijt, is het verstandiger om gewoon te slapen. Ook dat moogt ge doen zoveel ge wilt. We hebben nog tijd genoeg om te spelen. Gij hebt nog zeeën van tijd om de wereld te bekijken en nieuwe dingen te leren. Echt waar, ik beloof het. Ge kunt u dus rustig overgeven aan de slaap.

De komende maand wordt een erg spannende, vriendeke. Ge gaat naar de crèche vanaf volgende week! Mama is nog eventjes thuis van het werk, maar door omstandigheden moet gij toch al naar de opvang. Ik denk dat ge er méér dan klaar voor zijt, want ik heb nu vaak de indruk dat ge u doodverveelt hier zo. Van de speelmat naar de box naar de doomooseat en weer terug, het is natuurlijk ook vrij eentonig. Patatje, ik hoop dat ge daar bij die andere kindjes u rot gaat amuseren. Dat ge superveel nieuwe dingen gaat leren ook wel. En dat ge voor de rest thuis gewoon vrolijk blijft en dat ge het wankele nachtelijke evenwicht echt niet verknalt door de overload aan nieuwe dingen. Binnenkort moet uw ma terug gaan werken, man, en daar heeft ze toch nog een halve actieve hersencel nodig.

Ook al was deze maand echt zwaar, we zijn u wel altijd graag blijven zien. Als we eens gevloekt hebben, omdat ge wéér aan een heus concert begon, dan was dat alleen maar uit machteloosheid. Of vermoeidheid. Maar nooit – echt nooit – omdat we spijt hadden van u. Begrepen? Wij zijn blij dat gij in ons leven zijt, ook al is het niet altijd even simpel. Dat ga ik u nog een miljoen keer blijven zeggen, dat ge dat al maar weet.

Uiteraard zijn er ook een hoop leuke en grappige dingen gebeurd, hé. Ge steekt tegenwoordig werkelijk álles in uw mondje, zelfs onze vingers grabbelt ge vast en dirigeert ge meteen richting ‘fingerwash’. Uw nieuwe beste vriend is een knalroze tetradoek, die ge altijd weet mee te grabbelen als we u oppakken. Ge zijt aan het oefenen om voetballer te worden, want ge schopt als de besten tegen een rinkelbal. Ge hebt op uw vader geoefend om op uw buik te liggen en plots doet ge dat supergoed. Als ge ligt te slapen en we moeten u verplaatsen, dan krult ge u helemaal op tegen degene die u vastheeft – smelten geblazen! En als we u in bad steken, dan ziet ge u echt genieten en ontspannen. Het zijn die momenten die het helemaal de moeite waard maken, lieve lieve Kasper.

Ik zie u graag!

Dikke zoen,
Uw mama

 

zondag 25 mei 2014

Ik was één van hen.

Ik zal het maar bekennen: ik hoorde bij die dertig procent. Bij de groep mensen die vorige week nog niet wisten aan wie ze hun stem zouden gaan geven vandaag. Het is niet dat ik er nog niet over had nagedacht, hoor, verre van. Het probleem is gewoon dat ik, net als altijd, mij bij heel veel partijen in een deel van hun standpunten kan vinden, maar ook in een deel totaal niet. Een mens denkt dan soms ‘ik zal eens wat meer naar de politieke programma’s op tv kijken of in de kranten en de politieke sectie niet meer links laten liggen’. Jongens, jongens, compleet mottig werd ik daar dus van. Blijkbaar is het vandaag de dag de bedoeling dat ge als partij een andere partij uitkiest om te viseren en alles wat die dan zeggen volledig af te kraken. De politici zelf zijn daar gruwelijk in, maar hun achterban is vaak nog duizendmaal fanatieker. Mijn facebook werd overspoeld. ‘Stem zeker op partij X!’. ‘Weg met partij Y’. ‘Als ge op partij Z stemt, zijt ge gewoon lomp’. En iédere keer als er één of andere politicus weer eens een ietwat straffere uitspraak had gedaan, kwam er een golf reacties. Verontwaardigde, of net instemmende. Moé word ik daarvan. Ik heb er alle begrip voor dat Janneke liever voor de CD&V stemt en Mieke dan weer voor de N-VA en de Jos misschien wel voor de Groenen en Josephine dan misschien weer voor de S.PA. Wat ik niét begrijp, is dat dat allemaal zo agressief moet. Het maakt dat die hele vorte politiek mij steeds minder zegt. Doe eens normáál, zou ik zeggen.

Vanochtend was ik er nog steeds niet uit, moet ik toegeven. Ik had mezelf voorgenomen mijn stem eens een keertje niét te laten leiden door bepaalde figuren, want dat heb ik in het verleden al te veel gedaan. ‘Ik ben het met dat en dat wel niet echt eens, maar persoon zus vind ik precies wel competent.’, dacht ik dan. Als het dan puntje bij paaltje kwam, had ik achteraf meestal toch eerder spijt van mijn keuze. Er zijn een aantal mensen waarop ik zeker niét wil stemmen, maar dat is dan meer omdat hun kop mij niet aanstaat of ik hun dwaas gekakel niet langer wil moeten aanhoren. Ik wil er niet toe bijgedragen hebben dat hij of zij dan met een smile op tv zal verschijnen. ;-) Dit keer zou ik het anders doen. Ik zou op een programma stemmen en niet op een persoon. Helaas pindakaas, met die programma’s raakte ik er gewoon niet uit. Ik wil een mix en ik sta achter geen enkele partij écht.

Ik heb dat dus ook weergegeven in mijn stem. Ik kleurde het bolletje van drie verschillende partijen. Dewelke, dat ga ik niet aan uw neus hangen. En nu moet ik eens gaan kijken hoe de rést van België erover heeft gedacht ... . Verkiezingsshow, here I come!

vrijdag 9 mei 2014

Normaal.

Normaal gaan wij naar de winkel en dan kiezen we daar wel wat we gaan eten. Normaal zorg ik dat ik met mijn vriendinnen afspreek op de dagen dat de echtgenoot ook iets aan de hand heeft. Normaal kruip ik ’s ochtends lang onder de douche en de rest van het ochtendritueel handel ik op vijf minuutjes af. Normaal hang ik op dagen dat ik thuis ben veel rond op het internet, heerlijk. Normaal spring ik op mijn fiets als ik ergens naartoe moet dat minder dan vijf kilometer ver is. Normaal was ik op zondag.

Normaal. En zodra ik de zin heb uitgesproken, besef ik dat dit nu het nieuwe normaal is. Wat ooit normaal was, zal het de eerstkomende jaren niet meer worden. Misschien wel nooit meer.

Ik heb het daar moeilijk mee, ja. Voor ge allemaal begint te roepen dat ik een ondankbaar wicht ben en dat ik blij zou moeten zijn dat ik een gezond kind heb en dan al helemáál omdat we met medische hulp zijn zwanger geraakt en dat er zoveel mensen zijn die maar al te graag een kind zouden hebben en .... : ik ben dolblij met mijn zoon. Ik zie hem doodgraag, ik zit er totaal niet mee in om voor hem te zorgen en zelfs niet om hier wat de huisvrouw uit te hangen. Maar ik mis wel dat ‘normaal’.

En dus maak ik een weekmenu en stel zelfs een ‘autistisch boodschappenlijstje’ op. In de winkel komen we eerst langs de groenten, dus die staan eerst, daarna passeren we de kaas en dan de bakkerijproducten, dus die volgen, daarna volgt het drinken en dan ... . Alles doen we eraan om de tijd tussen de rekken tot een absoluut minimum te beperken, want als de kleine begint te wenen dan staan we daar natuurlijk schoon en dan hebt ge geen goesting meer om nog te beslissen hoe of wat en nog minder om voor iets terug te lopen dat ge over het hoofd had gezien op uw lijstje. De echtgenoot en ik wisselen elkaar voorlopig af en dus zien we elkaar in de late uurtjes of in het weekend. Douchen is tot een minimale activiteit herleid en ik heb proefondervindelijk mogen vaststellen dat het ‘klaar geraken voor vertrek’ waarschijnlijk tien keer zo veel tijd zal innemen als nu, eens ik terug aan het werk ben. Het internet blijft mijn grote vriend, maar de periodes dat ik er gebruik van kan maken zijn soms behoorlijk kort. Die fiets kan enkel nog gebruikt worden als ik ergens alleen naartoe kan, wat dus twee keer is geweest sinds Kasper is geboren. En wassen, dat gebeurt hier zeker om de andere dag, soms nog vaker.

Waarschijnlijk zal ik hoe het nu loopt binnenkort ook wel normaal vinden. Tegen dat ik terug aan het werk moet ofzo. Maar dan verandert natuurlijk alles opnieuw en mag ik weer wat gaan rouwen om wat is geweest en nooit meer terug zal komen. Ik denk dat ik nogal een gewoontebeestje ben. Wat u?

zaterdag 3 mei 2014

Het is liefde.

In het telefoongesprekje met de echtgenoot afgelopen dinsdagnacht vroeg ik hem of ik hem toch geen pijn had gedaan. In het verleden is dat dus al wel per ongeluk gebeurd tijdens een fikse hypo. Ik word dan blijkbaar een soort lastige dronkaard, weet ge wel. “Nee nee”, antwoordde hij, “maar mijn hart is wel gekrakt!” Toen we elkaar terugzagen, vielen we elkaar in de armen. Hij had het vreselijk gevonden dat hij niet mee kon komen door Kasper en stiekem vond ik het ook wel jammer dat hij niet bij me was, al begreep ik dat uiteraard wel.

Vanmiddag klaagde de echtgenoot eerst even van rugpijn. Tien minuten later verging hij zo ongeveer. Nog eens tien minuten later smeekte hij me om de dokter van wacht te bellen, want dit kwam niet goed. Hij dacht aan nierstenen, wat de mevrouw aan de andere kant van de lijn hem bovenaan de lijst patiënten deed zetten. Terwijl we op de dokter zaten te wachten, begon mijn lief dan ook nog eens over te geven van de pijn, verschillende keren. Hij herkende dit van een episode met nierstenen meer dan tien jaar geleden en ikzelf vond het ook verdacht veel lijken op wat ik in Turkije had ervaren. Not funny, zoveel was duidelijk. Uiteindelijk kwam er toch een jonge dokteres en ze kwam meteen met twee spuiten over de brug. “Dit is een paardenmiddel, meneer”, zei ze, “hiermee zijt ge binnen een half uurtje wel van de pijn af.” Drie kwartier, veel gekreun en nog wat sessies overgeven later bleek dus van niet. Dit zijn helaas de momenten waarop ge vervloekt dat ge niet gewoon achter het stuur van de auto durft te kruipen. Ik zou het gedaan hebben, hoor, maar misschien is dit niet het ideale moment om het voor het eerst in eeuwen weer te gaan doen. Stress, misschien een huilende baby op de achterbank, een man die niet weet hoe te zitten van de pijn, ... . De schoonmoeder werd dus gebeld en ik begon een pyjama en een tandenborstel in te pakken voor het geval hij zou moeten blijven in het ziekenhuis.

We huilden allebei een potje. Hij, omdat hij niet bij ons kon blijven en hij dat toch echt liever wel had gedaan, zeker na ons grapje eerder deze week. Ik, omdat ik zo graag bij hem was gebleven in al zijn ellende. Toen ik daar in Turkije zat te sterven van de pijn, toen bleef hij bij me, iedere seconde. Dat deed ontzettend veel deugd. Nu kon ik dat niet voor hem terugdoen. Ik wilde dat ik zoonlief aan mijn schoonmoeder kon geven en zelf met de echtgenoot mee kon gaan, maar helaas pindakaas.

Toen zijn mama was gearriveerd, vielen we nog even in elkaars armen. “Succes liefje”, snikte ik. “Als ge moet blijven, dan kom ik hoe dan ook! Ik verzin wel iets voor Kasper dan. En ge moogt me altijd bellen, zelfs als het midden in de nacht is.” Hij plengde ook een traantje en smeekte me om in ieder geval niet achter het stuur van de auto te kruipen. Ik beloofde het. We sniften nog eens goed en toen vertrokken ze. Zijn mama pinkte ook een traantje weg, gewoon door ons zo te zien.

Hij mocht gelukkig terug mee naar huis komen met een zak vol pijnstillers. Het is de bedoeling dat hij de niersteen gaat uitplassen en dat zou zelfs op korte termijn moeten gebeuren. Ik hoop het met heel mijn hart. Hij is zo suf als de pest van al die pillen, maar hij is tenminste weer hier bij ons. “Ik ben zo blij dat ik u weer zie”, verzuchtte hij. Ik ben ook ontzettend gelukkig dat ik hem weer vast kan grabbelen. Net op dit soort momenten heb ik dat zo hard nodig.

Het is misschien idioot hoe wij elkaar dan plots zo hard missen en hoe wij zo vreselijk graag bij elkaar willen zijn, maar één ding is duidelijk: dit is liefde. Dat weet ge iedere dag al wel, maar als het helemaal scheef loopt nog tien keer zekerder.

Nu is het wat mij betreft wel genoeg geweest, hoor. We kunnen alweer een extra werkweek samen blijven, maar al die ellende was het nu ook weer niet waard. We hebben ons deel nu wel gehad, niet? Dat die steen dus maar héél snel en vooral probleemloos en pijnloos uitgeplast geraakt, en dat we daarna eindelijk eens een tijdje zonder nieuwe verrassingen verder kunnen. Zonder al die miserie zien we elkaar ook heel graag en zeggen we elkaar dat ook regelmatig. Dat komt zo ook wel goed!

donderdag 1 mei 2014

I know nothing.

Het ene moment hangt ge nog met uw echtgenoot aan de telefoon en bespreekt of hij vrijdag ook nog vakantie zal nemen. Ja, maar ik wil zo graag nog eens vier dagen bij jullie zijn, had hij gezegd en daarmee was de beslissing dus genomen. Diezelfde avond voor het slapengaan verzucht ge dus: Nog één dag, liefje, ge gaat het wel overleven! Slaap lekker!

Het andere moment wordt ge wakker op een brancard in de spoedafdeling. Ge hebt géén idee wat er aan de hand is of hoe ge hier zijt geraakt, maar aan de stickers in de kamer ziet ge wel dat ge in uw vertrouwde ziekenhuis zijt. Er stapt een verpleger binnen, die zo vriendelijk is om uw echtgenoot voor u te bellen. Die kan dan toch zeggen wat er gebeurd is: ge hebt een ernstige hypoglycemie gehad (= te weinig suiker) en hij kreeg u er zelf niet bovenop. Toen ge dan op een bepaald moment helemaal verkrampte, in foetushouding bleef liggen en zelfs begon te schuimbekken, is hij in paniek geslagen en heeft hij de 100 gebeld. Een ambulance en een MUG vonden de weg naar uw huis en er hebben dus blijkbaar vier vreemden in uw slaapkamer gestaan. Ge weet van niets. Die hebben u glucose ingespoten en een infuus gestoken en u dan meegenomen. Niet de minste herinnering hebt ge daaraan. En blijkbaar hebt ge daar in het ziekenhuis ook wel conversaties gevoerd, want ge zoudt meermaals naar uw man gevraagd hebben, maar ook daarvan kunt ge u helemaal niets herinneren. Het gesprek met uw lief verliep vlotjes, maar achteraf waart ge alweer de helft vergeten.

Vanaf dan ging het gelukkig wel bergop. Ge kont terug helderder denken en hetgeen u verteld werd, bleef ook hangen. Ge mocht uw insulinepomp terug aansluiten – ge moest ze er eerst wel zelf op wijzen dat die echt niet zo lang afgesloten mocht blijven, want dat ge dan achteraf met torenhoge waardes zoudt uitkomen – en toen uw laatste waarde redelijk goed was, mocht het infuus af en kreegt ge een achterkamertje met een écht bed. Ge kunt dan wat proberen te slapen, hé, zeiden ze, maar daar kwam uiteraard niet al te veel van in huis. Op een bepaald moment kwam er iemand vragen wat voor kamer ge hierna wilde, dus ge begont al te vrezen dat ge zoudt moeten blijven. Daar had uw endocrinoloog ooit ook al iets over laten vallen: dat ge een opname ten allen tijde moest zien te vermijden, want eens ge in ’t ziekenhuis beland waart, mocht ge niet zomaar terug naar huis. Gijzelf waart altijd van mening dat ge uw omgeving het niet kunt aandoen om zo’n grote verantwoordelijkheid te moeten dragen en ge zegt hen dus altijd dat ze maar een ambulance moeten bellen als ze niet meer weten hoe of wat. Omstreeks acht uur verscheen echter uw echtgenoot en net op dat moment kwam de dokter zeggen dat ge naar huis mocht. Ze hadden met de dienst endocrinologie gebeld, ze hadden ook uw bloed binnenstebuiten gekeerd en daarin geen enkele reden voor het gebeurde gevonden, dus ge mocht beschikken. Oef!

En zo trokken jullie dus naar huis en probeerden allebei op uw positieven te komen. Gijzelf, omdat het toch wel héél vreemd aanvoelt dat er vanalles gebeurd is waar ge helemaal niets van weet. De echtgenoot ook, omdat hij vreest dat het lang zal duren voor hij die beelden uit zijn hoofd zal kunnen krijgen. Hij is ongerust, vraagt u om de haverklap om uw suiker te checken, slaapt ’s nachts met een half oog open en schiet recht als ge zelfs nog maar naar de wc trekt. Ge begrijpt dat, dus ge laat het voorlopig toe. En soms valt ge elkaar in de armen. Of ge praat over wat er gebeurde. Door dit gebeuren zijt ge nu vijf dagen samen thuis, in plaats van vier. Maar dat had echt niet gehoeven, als ge dan deze enge ervaring niet hadt moeten meemaken. Laten we toch echt hopen dat dit iets is geweest van één keer en nooit meer ...