Over Upje.

Follow by Email

woensdag 18 juli 2012

Take that shot.


Het was cool, indertijd. Karaokefietsen heette het, en het hield in dat ge op een hometrainer moest fietsen en intussen een liedje naar keuze meekwelen. Pittig detail: een minimumsnelheid van 25 km/u was nodig voor het liedje überhaupt zou starten, en de toonhoogte van de song werd bepaald door de snelheid waarop ge fietste. Een beetje het principe van een oude cassettenrecorder; rapper draaien is hoger, en bij trage toeren verandert een schoon liedje in een tergend hopeloos kattengejank. Als ge dus vrolijk wilde kunnen meebrullen, was het dus de bedoeling van uw tempo vooral constant te houden. Een onmogelijke zaak, dat snapt ge zelf ook wel. ’t Was nu niet dat heel dat gedoe mijn hobby was, hé. Nee nee, ’t was een wedstrijd voor deze zender. In den tijd dat Dekkers en Ornelis daar nog een bangelijke ochtendshow hadden en ik soms gewoon om zes uur al mijn wekker zette om te kunnen luisteren, terwijl ik er pas om acht uur echt uit moest, gewoon omdat het zalig wakker worden was. Goeie muziek, doldwaze humor, ge kreeg er direct goesting van om aan de dag te beginnen. Ze hadden dus een wedstrijd op poten gezet waarbij elke dag twee mensen bovenstaande actie mochten komen uitvoeren, dan moesten de mensen stemmen per sms en de winnaar kreeg één of andere hippe fiets. Om één van de kandidaten te mogen worden, volstond het om naar een antwoordapparaat te bellen, daar een paar lijnen te kwelen, te zeggen wie ge waart en wat uw telefoonnummer was, en als ge geluk had belden ze u dus terug dat ge één van de tien waart die mochten meedoen. Hoe ik erbij kwam, weet ik nog altijd niet, maar ik belde en ik zong een stukske van het dodelijk afgezaagde ‘What if’ van Kate Winslet. Moest ge tien jaar geleden ergens onder een steen geleefd hebben en dus niet weten hoe het klinkt, dan heb ik het hier nog wel eens voor u. Aan alle anderen: NIET op klikken! Of ’t is op eigen gevaar.



Maar goed, ik belde dus, vond mijzelve al superonnozel, maar kreeg daarna wel telefoon van een supersympathieke medewerker met een prachtige stem (helaas, I don’t remember his name, maar ’t was ne Limburger) dat ik naar de studio mocht komen. Hoe ik ooit zonder auto om zes uur ’s morgens in Brussel ging geraken, daar had ik natuurlijk nog niet bij stilgestaan. ’t Was dan ook nog te doen op een dag dat ik aan het einde van de voormiddag een examen Frans had, topideetje. Ik belde een vriend met rijbewijs, regelde dat hij mijn chauffeur zou spelen en toog ernaartoe. Over de resultaten kunnen we kort zijn: ik verloor stevig. Mijn tegenkandidate had de tekst van een liedje helemaal aangepast met de nodige verwijzingen naar de zender, dat sloeg duidelijk wel aan. Ik bleef gewoon mijn eigen seutige zelf en probeerde ‘goed’ te zingen; hopeloos, zoals ge ongetwijfeld al had vermoed toen ge heel die uitleg hierboven las. Ik herinner me nog dat ik wel keihard heb gelachen en dat gedurende de helft van het nummer alleen maar gegiechel te horen was. Daarna maakte ik ook nog een geweldig intelligente indruk door plots niet meer te kunnen zeggen welk examen ik een paar uur later nog zou moeten afleggen (wat uiteraard ook één en al flop werd), maar ik had het toch maar weer eens meegemaakt zo allemaal.

Achteraf liet mijn zus me weten dat ze samen met haar vriendin speciaal een nieuwe gsm-kaart was gaan kopen, en dat ze die allebei volledig hadden opgesmst om voor mij te stemmen. Ze vonden allebei dat ik echt wel mooi kon zingen (hoe ze dat ooit hebben opgemerkt door het gehijg van het harde trappen en het giechelen door?!), dus ik verdiende het. Toen ze dat allemaal vertelde, voegde ze er nog aan toe dat ik toch ooit eens echt aan een zangwedstrijd moest meedoen. We hadden net de eerste reeks van ‘idool’ gehad, dus ik vermoedde dat ze zoiets bedoelde. “Ach, ik heb toch geen popstem, jong,” zei ik, “en bovendien totaal geen podiumprésence.” In die tijd spraken we nog niet van x-factor, maar anders zou ik zeker gezegd hebben dat ik dat niét had. “Ik weet het wel, maar misschien zijn er wel een ander soort zangwedstrijden? Ge zou dat daar keigoed doen.”, sprak ze. Zij en haar vriendin studeerden aan het Lemmens-instituut, dus het deed wel deugd zo’n woorden uit haar mond te horen.

De jaren verstreken en mijn zingen zakte steeds verder af. De goede zangkoren werden vervangen door bijeenkomsten waar wel werd gezongen, maar waar muzikaliteit, noten lezen of zelfs toon kunnen houden allemaal van ondergeschikt belang was. De sfeer was er geweldig en de liedjes waren echt tof, dat kan ik niet ontkennen. Een uitdaging was het echter allemaal niet. Op een bepaald moment stopte ik gewoon de zoektocht naar een goed koor en hield een tijdlang gewoon helemaal op met zingen. Op de trouw van mijn zus stofte ik mijn stem nog eens wat af, sindsdien hield ik om de zoveel maanden ook wel eens een zangstonde met mijn andere zus en mijn vader, maar het was allemaal heel beperkt. Halverwege dit jaar hakte ik dan toch de knoop door en begon met zangles. Mijn stem heb ik gelukkig nog altijd mee, al merkt ge wel dat het allemaal wat geroest is door jaren underachieven. Toch zijn er regelmatig momenten waarop ik voel dat ik veel bijleer.

Op een dag praatte ik met mijn lerares over mijn wanhopige zoektocht naar een fatsoenlijk koor. Zij vermeldde terloops dat zij toevallig net op dat moment audities deden. Ik had nog nooit van hen gehoord en audities zijn nu ook niet helemaal mijn ding. Het idee om voor een soort van Spaanse inquisitie te moeten staan, spreekt me niet echt aan. “Da’s gemakkelijk, hoor, ge moet gewoon een koorstuk komen zingen dat ge goed kent.” Ik weet nog dat ik dacht: “Gemakkelijk?! Ik heb al tien jaar geen beschaafd stuk meer gezongen! Op een auditie kunt ge nu toch moeilijk met een Afrikaans ding afkomen, of een strijdlied van ’t één of ’t ander volk. Dus hoe moet ik dan ooit nog een stuk voldoende kennen om op een auditie te brengen?!” Ik heb dus nooit ernstig overwogen te gaan. Toevallig zat ik enkele weken later met mijn zus aan tafel, die vertelde dat iemand van bij haar in de zangles had gevraagd of dit niets voor haar was. Dat meisje merkte dat zij blijkbaar ook wel een extra duwtje kon gebruiken, dus ze bezorgde haar meteen de contactgegevens. Mijn vader – groot kenner van klassieke muziek en de muziekscène hier in België en stiekem ook wel daarbuiten – was meteen dolenthousiast toen ze dat vertelde. “Oh, dat zou fantastisch zijn! Dat is een heel goed koor. Dat moet ge zeker doen, hoor!” Ook mijn moeder werd meteen helemaal lyrisch, blijkbaar kent zij hen ook. Mijn telefoon ging tijdens dit hele gesprek, en toen ik terug aan tafel kwam, bleek het al beklonken: “’t Is maar dat ge het weet, maar jullie gaan auditie doen, hé. Vanavond wordt de e-mail nog uitgestuurd om te vragen hoe of wat.”

Zo kwam het dus dat we twee dagen later te horen kregen dat we meteen het weekend nadien al mochten verschijnen. Dat probleem van dat onbestaande koorstuk dat ik goed zou moeten kennen bleef, maar we besloten gewoon een duet te doen. Het belangrijkste is toch dat ze je stem kunnen beoordelen, niet? Het stuk dat wetoen op die trouw van de zus hadden gedaan, moest maar volstaan. Dat hadden we op zijn minst ooit fatsoenlijk gekend, dichterbij zouden we op zo’n korte termijn niet kunnen komen. Het had wel één mankementje: het was voor een alt en een sopraan, maar we zijn allebei sopranen. Ik heb altijd de altpartij gezongen, maar voor op een auditie is het misschien wat vreemd om je als sopraan aan te bieden door even alt te spelen? Tijdens een inderhaast afgesproken oefensessietje kwam mijn vader dus ook nog even met een eenvoudig duet voor twee sopranen aandragen. We zongen dat twee keer door, en besloten dat we gewoon aan de dirigent zouden uitleggen hoe het allemaal zat en dan moest hij maar kiezen wat hij wilde horen: iets dat we goed kenden, maar met mij als alt, of iets dat nog vrij nieuw was, maar waar we wel allebei sopraan konden zingen.

We waren erg zenuwachtig op voorhand, maar probeerden onszelf te overtuigen dat het ook niet zou uitmaken als we niet mochten meedoen. We weten heus wel dat we kunnen zingen, en dat we vlot van het blad lezen. Maar dat betekent daarom nog niet meteen dat ge door de dirigent van een steengoed koor ook meteen als goed genoeg beschouwd wordt, hé. Op de reis heen dacht ik nog even aan die woorden van mijn zus na dat karaokefietsen, en ik bedacht me dat ze dit hele auditiegebeuren zeker tof gevonden zou hebben. Misschien zou ze zelfs blij geweest zijn dat we dit eindelijk eens deden. Met haar in mijn achterhoofd stapte ik dus uiteindelijk de zaal binnen. Er moest ingezongen worden (apart) en dat liep behoorlijk goed. Ik zong hoger dan ik dacht dat ik zou kunnen, en nog was er niet het gevoel dat de top bereikt was. Daarna zongen we het stuk dat we het best kenden, en er werd wat aan gewerkt. De dirigent zou ons per e-mail laten weten wat zijn bevindingen waren. Toen mijn zus en ik buitenstonden, waren we het er beiden over eens dat we het zouden begrijpen als het antwoord ‘nee’ was. We gave our best shot, maar de eisen waren duidelijk erg hoog. Maar we hadden het dan toch tenminste geprobeerd, dan moesten we ons niet meer afvragen of het iets voor ons zou zijn. De kans wagen is soms beter als gewoon niets doen, toch?

Dit keer was het helemaal een goed idee, want ik kreeg een positief antwoord. Als ge braaf hebt geluisterd naar het muziekske dat ik in mijn vorige post aanbood, dan weet ge wat ze doen. En wat ge in de toekomst misschien nog moogt verwachten! 

1 opmerking:

  1. en ik zit hier vol spanning te wachten op een filmpje waar jij in voor komt...

    BeantwoordenVerwijderen